|
|
INDONESIË 8 december 1991 - 7 januari 1992. (deel 1)
Op zondag 8 december vertrekken we van Schiphol om 10.00 uur en begint het ‘probleem’ met de tijd. Als je je klokje niet voortdurend verzet, raak je aardig in de war. Het is om 15.30 uur al donker en Singapore Airlines serveert dan een lunch!!
Na het ontbijt, dat om ongeveer 22.00 uur komt, wordt het om 23.30 uur licht en om 0.15 uur landen we in Singapore, waar het dan in werkelijkheid 7.15 uur is en maandag 9 december.
Hier gaan we door naar ons uitgangspunt voor de rondreis: Medan. Na de landing gaan we met taxi's naar Tip Top, een Oudhollands restaurant waar we koffie drinken. Uiteraard moet ook geld gewisseld worden: voor 1 gulden heb je al 1000 Roepia, dus dat wordt de komende weken in grote bedragen rekenen.
Medan is een drukke stad met veel lawaai en stank. Maar ik heb het vreemde gevoel alsof ik hier eerder geweest ben; het voelt aan als 'thuis', iets wat ik in andere landen nooit eerder heb gehad. Komt dat omdat alles zo leukis en iedereen vriendelijk is of is het iets anders?
's Middag gaan we verder met de bus. We rijden naar Bukit Lawan, waar we in een guesthouse aan een rivier verblijven. Ik ga samen op een kamer met Hans, een man die hier al een week is. Hij is in Indië geboren en komt nu voor het eerst sinds 40 jaar weer terug. Er zijn trouwens toch veel mensen in de groep, die ergens hun wortels in het Oude Indië hebben.
Dinsdag vertrekken we vroeg naar het opvangcentrum voor orang-oetans. Met een bootje, dat aan een touw wordt voortgetrokken steken we de rivier over en komen in het centrum. Sommige dieren zitten nog in kooien, omdat ze pas zijn gearriveerd en eerst aan hun omgeving moeten wennen. De bedoeling is, dat de dieren die uit o.a. Taiwan komen en daar als huisdieren zijn gehouden, in dit reservaat weer in hun natuurlijke omgeving moeten leren leven. De enige plek waar we de 'vrije' apen goed kunnen zien is op de plaats waar ze twee keer per dag (bij)gevoederd worden. De verzorgers zitten klaar met het eten en de orang-oetans komen één voor één uit het oerwoud tevoorschijn.
's Middags krijgen we van Pim, onze reisleider, informatie over de reis en vertelt hij ook dat het programma aangepast is: het neushoornreservaat op Java gaat niet door en Yogyakarta wordt een dag langer. Ik had me speciaal op dat reservaat verheugd, dus dat is een tegenvaller.
's Avonds is er een buffet en hebben we meer gelegenheid om de andere groepsleden te leren kennen.
Woensdagmorgen zijn we al om 5.00 uur uit de veren en gaan we weer naar Medan. Onderweg zien we een rubbertapper aan het werk. Eentonig en vermoeiend werk, wat maar zo'n 300 - 400 roepia per dag oplevert, een hongerloontje.
In Medan drinken we koffie tegen exorbitant hoge prijzen: voor 1 kop koffie moet een rubbertapper drie dagen werken!! Maar ja, we drinken deze koffie wel in Hotel De Boer, een oud-koloniale negorij.
Hierna trekken we zuidwaarts. De lunch is in Brastagi, waar het behoorlijk regent. Tussen de druppels door nog even gauw naar de markt om wat fruit te kopen: 1000 Rp per kilo; ook niet weggelegd voor een rubbertapper, maar voor een Hollandse toerist toch wel zeer voordelig.
Tussenstops maken we bij de de Sipiso-piso Waterval, de hoogste waterval van Sumatra, en bij het paleis van Radja Bura, dat opnieuw beschilderd wordt. Dit paleis is een zeer groot houten Batakhuis, waar geen spijker aan te pas is gekomen. De Radja woonde hier met al zijn vrouwen, die hij via een luikje kon begluren. Een knip met de vingers en degene waar hij op dat moment zin in had kwam opdraven. Afhankelijk van de Radja, varieerde het aantal vrouwen van 4 tot 27; de ene had het dus wat drukker dan de andere. De man die ons rondleidde stamde van de laatste radja af; hij had maar 1 vrouw.
Om 18.30 uur zijn we in Prapat en gaan met de boot naar het Samosir eiland. Een lange dag reizen is dus ten einde. Onderdak hebben we bij Barbara-accomodation en Gordon's Guesthouse.
De volgende dag gaan we met de boot voor een tochtje rond Samosir-eiland. Vanaf de boot krijg je een heel goede indruk van het eiland.
Een eerste stop is in Simanindo waar nog typische Batakhuizen staan. Er staan zelfs 2 soorten: heel goed onderhouden, die deel uitmaken van een soort openlucht museum en iets verder staan minder goed onderhouden huizen, waar mensen in wonen. Bij een familie mag ik even binnen komen kijken. Zoiets is natuurlijk apart: moeder gaat gewoon door met haar werk en jij mag even een blik werpen in het leven van de Bataks.
Om 11.30 uur ben ik weer terug in het museumdorp, waar een groep Bataks ieder half uur een dansvoorstelling geven. Dat doen ze dus ook voor ons. Aan het eind van de voorstelling mogen de toeristen zelfs meedoen (!). Bij dat soort situaties voel ik me altijd erg opgelaten. Of je nu in Spanje naar de flamenco gaat, in Schagen naar de Westfriese markt of bij de Bataks naar Simanindo: overal mag je als toerist meedansen. En dat terwijl je dat nog nooit gedaan hebt en dus absoluut niet weet wat je moet doen; behalve voor aap staan natuurlijk.
Na de lunch gaan we naar Ambarita. Hier is nog een originele “Cirkel van het recht”, waar de Bataks vroeger hun rechtspraak hielden.
's Avonds is het relaxen en kletsen.
Vrijdag is een 'vrije dag' en ga ik met een paar anderen een wandeling maken. Na ongeveer 2 uur lopen door rijstvelden en bos komen we in Tomok, een plaatsje met souvenir- en kledingwinkeltjes.
We gaan terug met een "taxi”. Dit is een zeer oude auto, die van ellende aan elkaar hangt en bestuurd wordt door een jongen van ongeveer 16 jaar. Er zijn ook 2 helpers in dezelfde leeftijd. Alle drie spreken geen Engels, maar met het boekje ‘Wat en Hoe’ heb ik een zeer levendige en vrolijke conversatie kunnen voeren, waarbij voornamelijk heel veel gelachten werd.
's Avonds is er een optreden van een Batakband. De band bestaat uit 5 jongens, die in de stijl van de jaren 50/60 leuke pasjes doen, erg Zuid-Amerikaans aandoende muziek maken en het optreden besluiten met een polonaise voor alle toeschouwers.
|
|