|
|
INDONESIË 1992: kleine Soenda-eilanden en Sulawesi (1) 22 juli - 18 augustus 1992
Groepsreis met Djoser naar Bali, Lombok, Sumbawa, Komodo, Flores en Sulawesi.
Na een lange vlucht via Singapore en Jakarta, landen we de tweede dag om 18.00 uur op Bali. Het is donker, maar de geur van het land, van o.a. de eetstalletjes, enz. is onmiskenbaar Indonesisch en roept herinneringen op aan mijn vorige reis in 1991.
Na de kamerindeling verzamelen we in een restaurant tegenover het resort en daar krijgen we voorlichting van Obbo, onze reisleider voor de komende drie weken.
De eerste dag maken we een rondrit over het eiland. In tegenstelling tot vorig jaar, is alles heel erg bruin en dor, maar af en toe stoppen we voor mooie uitzichten over de sawah's.
De tempel van Bersakih, de moedertempel op Bali, is mooi. Dit complex bestaat uit drie tempels, die gewijd zijn aan Brahma, Sjiva en Visjnoe, de drie hoofdgoden van het Hindoeïsme. De tempel heeft "gelaagde" torens; verschillende daken boven elkaar. Er worden een aantal ceremonies gehouden, wat een aparte sfeer geeft.
Na de tempel gaan we verder naar de vleermuizengrot, die ik vorig jaar al heb bezocht. Ik ga het strand op om naar de zoutwinning te kijken. Er zijn mensen aan het werk, zodat ik goed kan zien hoe het in zijn werk gaat. Het is een arbeidsintensieve bezigheid.
Zaterdag vertrekken we al om 6.45 uur naar Padang Bai voor de oversteek naar Lombok. We hoeven niet lang te wachten, want we hebben de boot van 8 uur al en na zo'n 4½ uur varen komen we op Lombok aan en rijden naar Cakra Negara, de hoofdstad.
's Middags gaan we naar het strand van Senggigi voor een eerste duik in zee. Dat is niet mogelijk vanwege al de rotsen, dus zwemmen is er niet bij.
Zondagmorgen beklimmen we de Rinjani, de vulkaan die heel Lombok beheerst. Onder leiding van Jun, onze gids op Lombok, maken we een schitterende wandeling door sawah's en bossen. We lunchen bij een waterval, waar we nog even een frisse duik nemen.
Aan het eind van de middag vertrekken we met een klein groepje in de bemo naar Ampenan, een plaats aan de kust. Het strand hier is een typisch voorbeeld van een Indonesisch strand: veel mensen en menselijke uitwerpselen. Immers, het strand is openbaar toilet. Op het strand word ik aangesproken door Andi, die zijn Engels met mij wil oefenen. Ik heb daar geen bezwaar tegen en het gevolg is, dat hij ons een leuke rondleiding geeft.
De kinderen zijn zeer enthousiast en lopen mee. Uiteindelijk heb ik zo'n grote groep kinderen bij me, dat ik denk ze wel aan het zingen te krijgen, maar dat lukt niet. Ook niet nadat ik zelf “Vader Jacob” heb gezongen, blijft het bij enthousiaste reacties, maar zelf willen ze niet zingen!
's Avonds in Ampenan eten we bij de Chinees. Voor het toilet moet je hier door de keuken. Je moet dan maar niet teveel om je heen kijken, want anders lust je je eten niet meer. Overigens is het eten van uitstekende kwaliteit. Aan het eind van de maaltijd komt Andi ook weer even kijken. Hij is naar de moskee geweest en had nu wel zin in een pilsje. Hij heeft een vriend mee en die mag alleen maar cola van hem, want dan “is het een betere moslim”. Ja, ja. Het is duidelijk dat Andi nooit veel bier drinkt, want na twee glazen wordt hij al wat wazig. Hij brengt ons nog wel keurig naar de bemo, die ons weer terugbrengt naar Cakra.
Met een deel van de groep (de rest gaat naar het strand) gaan we maandag op weg. We bezoeken een weverij en daarnaast is een echte Indonesische legbatterij, helemaal van bamboe. Dus wel milieu-, maar niet diervriendelijk.
Daarna rijden we naar Batu Bintus, een Sasakdorp, waar iedereen uitloopt om ons te begroeten. Het dorp heeft een traditionele bouw en is daardoor interessant om te zien. Ook hier stelen de kinderen de show. Ik haal Vader Jacob maar weer van stal. De kinderen vinden het prachtig. Anja helpt met de canon, maar zingen door de kinderen? Ho maar. Dan het "Bim, bam, bom" maar fors aangezet en na een paar keer schreeuwt en springt de hele troep mee, wat een oorverdovend lawaai veroorzaakt.
Vervelend hier is wel, dat hoe langer je blijft, hoe brutaler de kinderen worden. Niet alleen vragen ze om geld, maar ze zitten ook in je zakken. Zelfs zitten ze aan mijn ringen, horloge, e.d. te voelen of ze los zitten.
De volgende dag is weer een reisdag, want we moeten naar het volgende eiland: Sumbawa. De boottocht hier naar toe neemt zo'n anderhalf uur in beslag.
Van de haven rijden we naar Alas voor de lunch. Ook hier worden we weer goed bekeken, maar de mensen zijn uitermate vriendelijk. Kinderen komen nieuwsgierig dichterbij, maar als je een stap in hun richting doet lopen ze lachend weg om daarna weer terug te keren. Die witte mensen zijn wel spannend.
Via een zeer dorre en droge route rijden we naar Sumbawa Besar, de hoofdstad van het eiland, een sfeervol plaatsje.
Na onze eerste nacht op Sumbawa gaan we naar Moyo, een eiland ten noorden van Sumbawa. Op dit eiland is een natuurreservaat en daar wil ik doorheen wandelen; de rest gaat snorkelen.
Met kleine bootjes steken we de zee over en op het eiland ga ik op zoek naar een gids die mee wil lopen. Met Ingrid maak ik een wandeling van zo'n anderhalf uur, een standaardwandeling voor de niet-snorkelende toerist. Behalve het nest van de grootpoothoen (de vogel schijnt zich alleen in de regentijd op dat nest te bevinden) en een vleermuizengrot (waar ik met veel kunst- en vliegwerk naar binnen kan en waar echt vleermuizen zijn), was er niet veel te beleven. De in de boeken genoemde herten, zwijnen en andere dieren zitten volgens de gids in het noorden. Aangezien het eiland zo'n 40 km lang is, is dat dus iets te ver weg. Wel werd duidelijk dat het nu geen regentijd is: alles is droog en dor.
Na de wandeling voegen we ons weer bij de rest van de groep. Ik leen een snorkel, zodat ik ook kan zien wat zich onder water afspeelt. Doordat het koraal vlak bij het strand is, hoef je niet ver de zee in om te kunnen genieten van alle mooie kleuren die er onder water zijn: Hele scholen fel gekleurde vissen zwemmen voorbij en er zijn schitterende koralen.
Na terugkeer in Sumbawa Besar bezoek ik met nog een paar sultanspaleis. Dit is de enige bezienswaardigheid in de stad. Het paleis is helemaal van hout en ademt een aparte sfeer. Het is echter in niets te vergelijken met de sultanspaleizen op Java.
Na het eten hebben we met een stel Indonesische jongens muziek zitten maken, gezongen en gedanst. Een heel gezellige avond in Indonesische sfeer.
|
|